‘Het is een voorrecht om aan boord te werken’

Ruim 25 jaar na een bezoekje aan de Anastasis besloot Edith van Duyn als vrijwilliger aan boord te gaan bij Mercy Ships. Beter laat dan nooit! Na een mooie periode van 2,5 week als anesthesiemedewerker vorig jaar gaat ze binnenkort opnieuw. In gesprek met Edith.

Hoe ben je bij Mercy Ships terechtgekomen?
‘Begin jaren negentig lag de Anastasis in de haven van Scheveningen. Ik werkte destijds in een Haags ziekenhuis en nam een kijkje aan boord. Op dat moment ontstond de wens om ooit een keer mee te gaan. Ik vond dat ik toen nog te weinig werkervaring had en niet genoeg van het leven gezien had, maar ik dacht: later, als ik meer skills heb en meer tijd, dan… Uiteindelijk heb ik pas ruim 25 jaar later de stap gezet om te solliciteren.’

‘Bij een opleiding werd de vraag gesteld: wat zou je nog heel graag willen doen en waarom heb je dat al die tijd nog niet gedaan? Toen kwam Mercy Ships weer in beeld. Het antwoord was heel simpel: ik had nu de tijd (onze zoon studeert inmiddels en mijn ouders, die ik vele jaren heb mogen verzorgen, waren overleden) en nu ben ik voldoende geschoold en als persoon sterk genoeg. Het proces van aanmelden verliep eigenlijk heel snel: binnen een paar maanden was alles rond en werd ik uitgenodigd om van 24 november tot 9 december 2017 aan boord te komen werken.’

edith


Je ging aan de slag als anesthesiemedewerker. In wat voor team werkte je aan boord?
‘Ik kwam terecht in een groot internationaal OK-team, waarin we allemaal gelijk zijn. Ik voelde me zowel teamlid als gast. Iedereen werkte vanuit zijn eigen werkervaring en op zijn eigen manier. Dankzij een gelijke manier van denken en goede communicatie leidde dat zelden tot verwarring. Iedereen is bereid om de ander te begrijpen.’

‘Ik werkte samen met een anesthesioloog (staflid). We verdeelden de handelingen die je moet doen. Daarnaast werkten we met chirurgen en operatieassistenten uit diverse landen. Maar ook met lokale tolken. Dit konden mensen zijn die schoonmaken, maar ook lokale verpleegkundigen en lokale studenten die medicijnen studeren. Zij vertaalden de handelingen die wij moesten doen voordat de patiënt in slaap werd gebracht, zoals een vragenlijst beantwoorden of infuusprikken. Na de operatie brachten we de patiënt naar de uitslaapkamer, waar ook weer gespecialiseerde verpleegkundigen werken.’

Hoe zag een gemiddelde werkweek er voor jou uit?
‘Je deelt vrijwel al je tijd met je collega’s. Ook na werktijd. Je ziet elkaar bij ontbijt, lunch en diner en in je vrije tijd. Ik stond meestal vroeg op, zodat ik niet in de rij stond bij de gemeenschappelijke badkamer. Uitgebreid douchen kan aan boord niet, omdat we zuinig moeten zijn met het water. Daarna was het tijd voor het ontbijt in de eetzaal, daar sprak ik vaak al mijn collega’s.’

‘De werkdag begint ergens tussen 7.00 en 7.30 uur en eindigt (zonder bereikbare avonddienst) om 17.00 uur. De avonddienst begint na je werkdag om 17.00 uur en duurt tot 8.00 uur de volgende ochtend. Dan blijft diegene totdat de laatste operatie klaar is en tevens ben je de ‘s nachts beschikbaar voor spoedingrepen (zoals een nabloeding of onderzoek onder narcose als daar aanleiding voor is). Om de twee dagen heb je bereikbare avonddienst, dus blijf je als laatste op de OK. Soms lopen er na 17.00 uur nog meerdere operaties, degene die dan dienst heeft kan niet op twee of meer plaatsen tegelijk aanwezig zijn en dus blijf je langer en maak je de operatie zelf af. Om het weekend heb je weekenddienst en ben je van vrijdagmiddag na je dagdienst tot en met maandagochtend beschikbaar voor spoedingrepen waar anesthesie voor nodig is.’

‘Tussen 7.00 uur en 8.00 uur was ik op de OK om voorbereidingen te treffen voor de patiënt. Er moest van alles klaargezet worden, medicijnen worden bereid en machines gecontroleerd. Soms was er voor de eerste patiënt nog een werkbespreking waarbij we een aantal logistieke dingen als team bespraken of een bijscholing volgden.’

‘Voordat de eerste patiënt arriveerde, spraken we als team alle operaties en patiënten door, waarbij we stilstonden bij de potentiële moeilijkheden tijdens de narcose en operatie zelf, zoals moeilijke momenten, verwacht bloedverlies en of er bloeddonoren op afroep beschikbaar waren. Tijdens de dag hadden we 3-5 patiënten die geopereerd moesten worden. Maar het konden er ook maar 1 of 2 zijn, als dat een hele lange operatie was.’

‘Voor koffie- en theepauze stuurden we iemand met onze grote afgesloten bekers naar boven naar het Starbuckscafé. Je mag op de OK drinken, mits de bekers afgesloten blijven. Maar soms mochten we even van de OK af om zelf naar boven te gaan. Tussen de middag losten we elkaar af om te lunchen. Hier kregen we dertig minuten voor. Hetzelfde gold voor het diner, als je die dag avonddienst had na je dagdienst.’

Waren je werkzaamheden aan boord anders dan je normaal in je werk gewend bent?
‘Over het algemeen waren mijn technisch inhoudelijke werkzaamheden hetzelfde als in mijn eigen ziekenhuis, maar er waren ook grote verschillen. Zo is er aan boord geen bloedbank. In plaats daarvan wordt alle vrijwilligers gevraagd of ze bereid zijn om bloed te doneren als dat nodig is.’

‘Aan boord moeten alle bloedvlekken in de operatieafdekdoeken na de operatie eruit geknipt worden, zodat alleen dat naar de verbrandingsoven kan om vernietigd te worden. Al het andere wordt in afvalzakken gedaan, maar pas nadat het kapotgemaakt is. Dit omdat ontdekt is dat afvalzakken aan land doorzocht worden op materialen die daar dan nog in zitten en lokaal op de markt verkocht worden. Hetzelfde geldt voor injectienaalden en andere scherpe voorwerpen. Die worden op een andere manier afgevoerd en opgeslagen dan in Nederland.’

‘Een ander verschil is dat alle lijnen van zorg veel dichter op elkaar zitten. Alleen al omdat het ziekenhuis op één etage is: vijf operatiekamers, de uitslaapkamer, de Intensive Care, de verpleegafdeling, de CT-scan, het laboratorium en de sterilisatieafdeling. Het werkt heel efficiënt, maar het is ook heel erg compact door de beperkte fysieke ruimte.’

Was je gauw gewend aan boord of had het even tijd nodig?
‘Ik kwam in een heel geoliede machine terecht. Het was zeer goed georganiseerd voor nieuwe medewerkers. Duidelijk was waar je wat vindt en wanneer je wie nodig hebt. Het enige waar ik wat moeite mee had was het stapelbed. Ik lag boven en elke keer als ik het trappetje op en af moest, bezeerde ik mijn bekken. Mijn hutgenoten waren verpleegkundigen die ook alle drie in ploegendiensten werkten, dus overdag én ‘s nachts werd er in de hut geslapen en dus was het er altijd donker. Je wilt de ander niet wakker maken en zelf ook niet wakkergemaakt worden…’

Met welke verwachtingen ging je aan boord en zijn deze uitgekomen?
‘Eigenlijk ben ik blanco naar het schip gegaan. Ik was wel benieuwd hoe ik het zou vinden om zo lang zonder mijn gezin te zijn. Ik reisde voor het eerst van mijn leven alleen, en dan ook nog naar Afrika! Ik was dus heel verbaasd dat ik aan boord eigenlijk heel goed mijn draai kon vinden. En dat slapen in een hut met drie anderen prima ging. Ik miste mijn gezin wel, maar had geen heimwee. Ik was vaak gewoon bekaf van het werken en sliep als ik eenmaal in het stapelbed lag heel goed, ondanks de warmte en de locatie (pal boven de machinekamer).’

Zijn er ontmoetingen met patiënten die indruk op je gemaakt hebben?
‘Zeker, want de aandoeningen die je in Afrika ziet, komen vrijwel niet in Nederland voor. Ik denk bijvoorbeeld aan baby Paul die een zeer ernstig vorm van schisis had en daardoor extreem ondervoed was. Weken van aansterken waren nodig voor hij geopereerd kon worden. In mei kreeg ik foto’s te zien waarop hij nu als een vrolijke, mollige peuter op een fietsje zit. Daar doe je het toch voor?’

Wat vind je van de medische nood die je ziet in Afrika?
‘Woorden schieten tekort… Ik ben blij dat ik mijn steentje mag bijdragen en dat er getracht wordt direct zorg te verlenen aan aandoeningen waar herstel mogelijk is. Maar de meeste kracht zit in het opleiden van lokale artsen en verpleegkundigen, paramedici en non-medici, zodat de kennis toegepast en voorgezet kan worden, ook als Mercy Ships het land verlaten heeft. Het is een totaalplaatje waaraan gewerkt wordt: voeding – landbouw – hygiëne – medische zorg – verpleegkundige zorg – revalidatietechnieken – en palliatieve zorg voor als medische zorg geen zin meer heeft en alleen nog een waardig humaan einde overblijft.’

Hoe heb je het ervaren om met ruim 400 mensen op een schip te wonen?
‘Het hoort erbij. Of het er nu 400 of 300 zijn, dat verschil merk je niet. Een stil plekje is hoe dan ook moeilijk te vinden, overal is geluid. Echt wonen zou ik het overigens niet noemen, het waren tenslotte maar zestien dagen voor mij. Ik heb als individu weinig privacy ervaren: alles deel je met iemand anders. Alleen je bed en je kledingkast zijn tijdelijk jouw plekje. Je bent nergens even echt alleen.’

‘Het samenwerken met mensen uit zoveel verschillende culturen vond ik wel heel prettig en inspirerend. Het gebeurt niet vaak dat je met zoveel mensen van dezelfde achtergrond ergens in Afrika op een schip hetzelfde werk doet en daar ook nog vriendschappen aan overhoudt. Ik heb regelmatig via WhatsApp en Facebook contact met mensen die ik aan boord heb ontmoet. Het is leuk om tijdens de stille momenten tijdens een nachtdienst in mijn ziekenhuis met iemand te chatten die aan de andere kant van de wereld ook wakker en aan het werk is.’

Had je naast je werk ook tijd voor ontspanning, bijvoorbeeld door het land in te gaan?
‘Nee eigenlijk niet, tweeënhalve week is heel kort. Na het avondeten ging ik nog even op de steven, mijn favoriete plekje van de Africa Mercy, zitten in de avondwind om de zon onder te zien gaan. Mijn werkdagen waren net als thuis lang en intensief en dat gecombineerd met bereikbare avonddiensten en weekenddiensten, maakte dat er niet veel tijd meer over was. Maar dat vond ik ook geen enkel probleem, ik kwam namelijk niet voor vakantie maar om te werken. Ik schreef iedere avond dan nog even in mijn dagboek en daarna ging ik slapen. Eenmaal ben ik in mijn vrije weekend met een groepje naar de markt geweest en heb ik een bezoek gebracht aan een weeshuis.’

Je gaat weer terug, in december van dit jaar. Wat zijn je belangrijkste redenen om weer te gaan?
‘Aan het einde van mijn tijd aan boord, voordat ik terugvloog, vroeg mijn manager op de Africa Mercy of ik bereid was om in december weer terug te komen. Dat vond ik echt een eer en voorrecht, ik kon en wilde niet weigeren. Ik vond het een hele ervaring om daar eigenlijk ‘gewoon’ mijn eigen werk te doen, maar dan bij mensen die door hun aandoening en/of verminking een heel naar leven hebben. Het betekent voor mij heel veel dat ik mijn tijd, kennis en kunde mag gebruiken om hen hoop en uitzicht te geven op een beter leven. Waar zij voor zichzelf en hun gezin weer kunnen zorgen. Uitzicht hebben om weer opgenomen te worden in hun dorp en familie als ze waren uitgestoten. Weer kunnen zien, lopen en bewegen, zodat ze kunnen werken en geld kunnen verdienen. Zodat ze niet meer afhankelijk hoeven zijn van anderen.’

Zou je andere aanraden om aan boord te komen werken?
‘Ja zeker! En ik heb hier al meerdere mensen warm voor gemaakt. Het is een unieke ervaring, een voorrecht om dit te doen. Iedereen werkt er vrijwillig, zowel medisch als niet-medisch personeel en niemand kan hier werken zonder de ander. Ik kan daar mijn werk doen, omdat anderen voor mij koken, de wacht houden, voor de ICT zorgen, de inkopen doen enzovoorts. Iedereen is nodig.’

[Interview: november 2018]
Back to overview?>